Het was gebeurd. Een overdonderend moment lang stond de wereld stil. Draaide alles alleen nog om hem en mij. Het waren misschien maar twee tellen, niet meer. Maar die twee tellen waren genoeg om de wereld stil te laten staan.
Ik ritste mijn jas los en haalde opgelucht adem. Wat een stortbui, maar hier was het droog. Ik trok mijn kraag met een snelle beweging recht en liet de druppels er vanaf vallen. Een druppel viel in mijn nek en ik rilde even. Met een lichte zucht streek ik met mijn hand door mijn natte haren. Wanneer ze droog waren, had ik licht krullende, goudblonde haren tot iets over mijn schouders. Dan haalde ik mijn hand door mijn haren, zodat de voorste plukken speels op mijn voorhoofd vielen. Nu mijn haar echter nat was, had het meer weg van stro. Er met mijn hand door heen strijken, was eigenlijk vergeefse moeite: plukken haar hingen in slierten langs mijn gezicht.
Mijn enige charme was nu nog mijn blik. Mijn groene ogen met bruine vlekjes. Menig jongen had mij al verteld hoe betoverend ze waren en daar maakte ik dan ook gebruik van. Ik liet mijn groene kijkers door de ruimte gaan. Ik voelde me vrij.
Plotseling zag ik hem en ik keek. Hij ving mijn blik op. Een kort moment, twee tellen misschien. Maar die twee tellen dat mijn kijkers op hem vielen, leek de hele wereld stil te staan.
Zijn guitige blik was het eerste wat mij was opgevallen. Nee, eigenlijk was alles me in één keer opgevallen. Zijn lichtgrijze ogen lachten en er lag een vrolijke glinstering in. Aan zijn donkere, warrige haardos was veel aandacht besteed zodat het een zorgvuldige warboel vormde. Zijn haren waren ook nat, zoals de mijne, maar het zijne zag er nog steeds piekfijn uit en het leek hem niet te deren dat hij nat was. Zijn dunne lippen lagen geplooid in een glimlach om zijn rechte, witte tanden.
Zijn huid was licht gebruind, geen zonnebankbruin. Dit alles lag in een rond gezicht, wat hoorde bij een lang lichaam. Geen slungelig lichaam, integendeel. Hij was stevig en gespierd, maar niet té. Eigenlijk was hij perfect, was mijn enige conclusie.
Zijn jas was nat en hij had, net zoals ik, zijn jas met een opgeluchte zucht los geritst en op dat moment zag ik hem. En hij mij.
Onze ogen raakten elkaar in dat ene korte moment. De wereld stond stil, maar mijn wereld werd twee tellen lang alleen gevormd door zijn ogen. Een regendruppel gleed omlaag en bleef aan mijn wimpers kleven. Ik knipperde met mijn ogen. Te lang. Dat moment begon de wereld weer te draaien en was ik hem kwijt. Dacht ik. Hij kwam naar mij toe, legde een hand op mijn schouder en glimlachte naar me. Ik keek in zijn ogen en wist dat we verbonden waren.
De wereld? Die deed er niet meer toe.
